Wijk Pigalle, een beroemde plek voor feesten en prostitutie. Sinds 1881

Wijk Pigalle, een beroemde plek voor feesten en prostitutie. Sinds 1881

De wijk Pigalle is de naam van een arrondissement in Parijs, gelegen rond het Place Pigalle. Het omvat de straten aan weerszijden van de boulevards de Clichy en Marguerite-de-Rochechouart en strekt zich uit over de 9ᵉ en 18ᵉ arrondissementen. De naam van het plein is afgeleid van de beeldhouwer Jean-Baptiste Pigalle (1714-1785).
Pigalle en zijn geschiedenis Het plein heette oorspronkelijk « Place de la Barrière-Montmartre ». In 1785 vroegen de *fermiers généraux* (de toenmalige belastingdienst) aan architect Ledoux om de hoofdstad te omringen met een belastingmuur, die de gemeente Montmartre in tweeën deelde: Montmartre binnen de muren (het huidige 9ᵉ arrondissement) werd belast. Het andere deel van Montmartre bleef « buiten Parijs » en vrij van belastingen (een soort « vrijhandelszone ») tot de jaren 1860, wat de ontwikkeling ervan bevorderde. Het tracé van het Place Pigalle werd getekend rond de drie bogen van de tolpoort van Ledoux, die in 1861 werd afgebroken.

Eind 19e eeuw bevonden zich in de omringende straten een wijk met schildersateliers en literaire cafés waar ‘bohémiens’, danseressen en demi-mondaines verkeerden. De beroemdste was de Nouvelle-Athènes. Deze wijk inspireerde Georges Ulmer tot zijn bekende chanson: « Un p’tit jet d’eau, une station de métro, entourée de bistrots, Pigalle… ». Aan de rand van de fontein was er een markt waar impressionistische schilders uit het einde van de 19e eeuw, zoals Manet, modellen huurden.
Te zien in de directe omgeving: Op nummer 13 (Hôtel Royal) zijn gevleugelde paarden en chimaera’s gebeeldhouwd door de 18e-eeuwse beeldhouwer Jean-Baptiste Pigalle. Zijn naam gaf aan de plek (en de wijk) haar naam.

Ook te zien:

Café de la Nouvelle Athènes. 9 place Pigalle in Parijs (Frankrijk). Van 1871 tot het einde van de 19e eeuw was het een ontmoetingsplaats voor de impressionistische schilders. Verschillende beroemde schilderijen zijn hier ontstaan, zoals *De Absint* van Degas of *De Pruim* van Manet. Men kan er Suzanne Valadon zien in het schilderij *Au café la Nouvelle Athènes*, geschilderd in 1885 door de Italiaanse divisionist Federico Zandomeneghi.
Het Museum van het Romantische Leven, gelegen op ongeveer 250 m afstand, aan de 16 rue Chaptal in het hôtel Scheffer-Renan, de voormalige woning van de Nederlandse schilder Ary Scheffer. Op de eerste verdieping van het paviljoen, gebouwd in 1830, toont het museum de herinneringen aan de schrijfster George Sand, die als buurvrouw de schilders bezocht. De salons hercreëren haar levensstijl aan de hand van schilderijen, tekeningen, sculpturen, meubels, juwelen en voorwerpen uit haar huis in Nohant-Vic in Berry. Op de verdieping worden de zalen gewijd aan het leven van Ary Scheffer en zijn tijdgenoten – en aan de filosoof Ernest Renan, die door zijn huwelijk zijn neef werd. Zie het dossier.

Pigalle, tegenwoordig een toeristische wijk De wijk staat bekend als een bedevaartsoord voor toeristen (hij ligt aan de voet van de heuvel Montmartre). Hoewel de tijd dat schurken, politieagenten en klanten elkaar in Pigalle tegenkwamen voorbij lijkt, vind je er nog steeds enkele seksshops en gespecialiseerde bars. Toch zijn de nachtclubs, de beroemde cabarets, de kleurrijke en neonverlichte uithangborden die het beeld van een ‘wilde’ buurt oproepen voor velen tegenwoordig vooral een decor voor toeristen. De wijk Pigalle telt verschillende theaters en cabarets:

Le Divan du Monde;
Le Moulin Rouge, wereldberoemd cabaret;
L’Élysée Montmartre;
La Cigale;
La Boule Noire;
Les Trois Baudets;
Le Trianon.

Tegenwoordig is het ook het gebied van muziekinstrumentenwinkels (gitaren, toetsinstrumenten, fluiten…). Ze zijn talrijk in de boulevard de Clichy, de rue Victor-Massé en de rue de Douai.
De geschiedenis van Pigalle in de hedendaagse verbeelding begint in 1881.
De geschiedenis van Pigalle als een ‘rokerige’ wijk start in 1881 met de opening van het cabaret Le Chat Noir in een voormalig postkantoor. Aristide Bruant trad er op op nummer 84, boulevard Marguerite-de-Rochechouart. Bruant nam het cabaret in 1885 over, verhuisde het naar de rue Victor-Massé en hernoemde het tot Le Mirliton. In oktober 1885 opende Maxime Lisbonne, teruggekeerd uit Nieuw-Caledonië waar hij een levenslange gevangenisstraf uitzat voor zijn deelname aan de opstand van de Parijse Commune in 1871 (amnestie in 1880), La Marmite, waar hij vernieuwende en gedurfde voorstellingen gaf en de striptease introduceerde in het Divan japonais.

In 1889 vestigde zich aan de voet van de Montmartreheuvel een ander cabaret, de Moulin-Rouge. Al snel volgden er talloze restaurants en bars. De gebruikelijke nachtelijke uitgaanspubliek stroomde toe rond de Porte Saint-Martin en de Porte Saint-Denis. De souteneurs volgden en bezochten de nachtclub van de Élysée-Montmartre, op nummer 80 van de boulevard Rochechouart. Het stadsdeel werd vereeuwigd door kunstenaars als Henri de Toulouse-Lautrec, Pablo Picasso, Vincent van Gogh, Maurice Neumont en Salvador Dalí.
De komst van de criminele ‘milieu’ in Pigalle
Rond 1910 vestigde de criminele ‘milieu’ zich in de wijken Pigalle en Montmartre. Op de Place Pigalle ontvingen de cafés La Nouvelle Athènes, La Kermesse, Le Petit Maxim’s en L’Omnibus elke nacht boeven en souteneurs. In La Kermesse heerste het team van Coco Gâteau de scepter. De souteneurs rekruteerden jonge meisjes, maakten er prostituees van en stuurden hen naar bordeelhuizen tot in Argentinië en de Verenigde Staten. De goktafels vermenigvuldigden zich, met professionele spelers die valse kaarten gebruikten.

In 1918, met de beperkingen op alcohol en verlichting, blijven alleen de bordeelhuizen na 21 uur open. Ze zijn nu in handen van de echte ‘onderwereldfiguren’. In de jaren 1930 wordt Pigalle het epicentrum van de onderwereld, waar gangsters hun zaken vestigen op de Place Blanche, de Place Pigalle en in de omliggende straten (rue Fontaine, rue de Bruxelles). Hier worden ook hun rekeningen vereffend. Hun bordeelhuizen concentreren zich vooral in het 9e arrondissement. Tweeduizend meisjes werken in de 177 etablissementen, met straatprostituees om de vijf meter.
De bazen van de vrouwenhandel De bazen van de vrouwenhandel treffen elkaar op de Place Blanche, in de brasserie Graff en in het café op de Place Blanche, dat in zijn kelder een privéclub herbergt, L’Aquarium, of ook nog in Le Rat mort, Pigall’s of het Monico. De champagne stroomt rijkelijk. Ze zijn ook aanwezig in de bal musette Le Petit Jardin, ‘26 boulevard de Clichy’. De Tahiti blijft een van de favoriete jachtgronden van de souteneurs. Kunstenaars zoals Joséphine Baker, Duke Ellington, Ernest Hemingway, Pablo Picasso en John Steinbeck hebben er een bezoek gebracht. Op ‘66 rue de Pigalle’ wordt Bricktop’s een van de beroemdste jazzcabarets van de jaren 1930.
De gouden eeuw van Pigalle tussen 1930 en 1960 In 1932 breekt er een oorlog uit in de onderwereld, wanneer de Corsicaanse gangsters de ‘Parijzenaars’ aanvallen.

Moorden vinden plaats voor de Red Angel, de Black Ball en Zelly’s. De politie grijpt steeds vaker in en sluit de cabarets. Kort voor de oorlog arriveert de heroïne in grote hoeveelheden. Ze wordt verkocht in bars en restaurants, en de handel erin wordt gecontroleerd door criminelen zoals Joseph Rocca-Serra, Vincent Battestini en André Antonelli.

De Tweede Wereldoorlog en de Duitse bezetting hebben weinig verandering gebracht in de activiteiten van de louche types in de wijk. Privéclubs, clandestiene gokhuizen, cabarets, danszalen, nachtclubs en bordeelhuizen bleven klanten ontvangen. De leden van de Gestapo kwamen graag bijeen op de Place Pigalle, in Dante en Le Chapiteau, alsook in de Rue de Pigalle, in Le Chantilly en L’Heure Bleue.

Bij de Bevrijding verbood de Marthe Richard-wet alle bordeelhuizen in Frankrijk. Deze maatregel deed de prostitutie niet verdwijnen. De prostituees belandden op straat of werkten in clandestiene etablissementen. Eind jaren vijftig viel de bende van de ‘Trois Canards’ – vernoemd naar de bar die als hun hoofdkwartier diende – bordelen en de meisjes die daar werkten binnen. De bekendste bars waren Le Charly’s en Le Petit Noailles.

In de jaren zestig greep de politie in. Talrijke bordeelhuizen werden vervolgd voor souteneurschap en hun eigenaars werden geleidelijk gedwongen de deuren te sluiten. Het aantal prostituees nam eveneens af, maar de wijk bleef zeer geliefd voor zijn feesten, met zijn carnavals, stripteaseclubs en hostessbars. Het aantal boeven in de wijk nam in die periode sterk af. Zij beperkten zich ertoe hun winsten te investeren.

Vanaf het begin van de jaren 1970, met de versoepeling van de zeden, openden de eerste pornobioscopen, de sexshops vermenigvuldigden zich net als de massagesalons, en de eerste livevoorstellingen zagen het licht, waarbij stellen in het openbaar de liefde bedreven.

Films opgenomen in Pigalle of over Pigalle
Een dertigtal films zijn opgenomen in verband met Pigalle, waaronder:

Maigret à Pigalle 56 rue Pigalle, geregisseerd in 1948 door Willy Rozier Pigalle-Saint-Germain-des-Prés, geregisseerd in 1950 door André Berthomieu Bob le flambeur, geregisseerd in 1956 door Jean-Pierre Melville Le Désert de Pigalle, geregisseerd in 1958 door Léo Joannon Zazie dans le métro, geregisseerd in 1960 door Louis Malle Les Ripoux, geregisseerd in 1984 door Claude Zidi Ripoux contre ripoux, geregisseerd in 1990 door Claude Zidi Pigalle, geregisseerd in 1994 door Karim Dridi Les Mille et un soleils de Pigalle, geregisseerd in 2006 door Marcel Mazé Pigalle, een documentaire van 109 minuten geregisseerd in 2006 door Pascal Vasselin Pigalle, de nacht, Franse dramaserie, geregisseerd in 2009 Pigalle, een volksgeschiedenis van Parijs, documentaire van 60 min geregisseerd in 2017 door David Dufresne, Arte

Het lied en Pigalle

Pigalle (1946) van Georges Ulmer: dit nummer, zeer bekend in Frankrijk, is door talrijke artiesten gecoverd en in 2005 kreeg de centrale promenade van de boulevard de Clichy de naam promenade Georges-Ulmer. De promenade Coccinelle werd later, in 2016, gecreëerd.
Les P’tites Femmes de Pigalle (1973), van Serge Lama in het album *Je suis malade*
Pigalle la blanche (1981), van Bernard Lavilliers in het album *Nuit d’amour*
J’suis né à Pigalle (2003), van Stomy Bugsy in het album *4ème round*
Pigalle (2018), van Therapie TAXI in het album *Hit Sale*
Pigalle (2020), van Barbara Pravi in de EP *Reviens pour l’hiver*
Pigalle (2020) van Captaine Roshi in het album *Attaque II

Literatuur over Pigalle
Ook auteurs als René Fallet, Francis Carco, Auguste Le Breton, André Héléna en Georges Simenon hebben over Pigalle geschreven.